BIOGRAFIE - Mare 19, 2 februari 2006

Het belang van Leiden voor Einsteins denken

‘Lorentz wil mij als opvolger, griezelig’

CHRISTIAAN WEIJTS
Hoewel Einstein slechts gasthoogleraar was in Leiden, is hij flink beďnvloed door de natuurkundigen hier. In de pas verschenen biografie Einstein in Nederland is veel aandacht voor het stadje dat Einstein ‘dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde’ noemde.

Grote problemen houden Albert Einstein uit zijn slaap als hij een gasthoogleraarschap in Leiden heeft aanvaard. ‘Je moet bedenken’, schrijft hij in 1920 aan zijn vriend en Leidse collega Paul Ehrenfest, ‘ik ben de meest onpraktische en de minst tot aanpassing in staat zijnde mens op Gods aarde. Het meest zie ik ertegen op hoe ik het “ik heb gezegd” in het Nederlands uit mijn mond moet zien te wringen. Maar ik vertrouw erop dat jij de oude verroeste machine (ikzelf dus) op een of andere manier wel aan de gang zult krijgen.’

Ehrenfest komt inderdaad met een oplossing. Vlak voor Einstein het Academiegebouw in moet, raadt hij hem aan terug te vallen op het Latijn. Einstein sluit zijn Leidse inaugurele rede af met “dixi”.

En zo werd Leiden – door Einstein ‘dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde’ genoemd – enige tijd het decor van de grootste natuurkundigen van de twintigste eeuw. In zijn ‘intellectuele biografie’ Einstein in Nederland beschrijft wetenschapshistoricus Sybe Izaak Rispens hoe ’s werelds icoon van genialiteit zich liet beďnvloeden en inspireren door collega’s in Nederland en met name Leiden.

Al vanaf de tijd dat Einstein een onbenullig baantje bij een octrooibureau in Bern had, richtte hij zijn blik op Leiden. De natuurkundige Hendrik Lorentz beschouwde hij als zijn grootste intellectuele voorbeeld. ‘Papa Lorentz’ noemde hij hem, en later zal hij zeggen: ‘Hij betekende voor mij meer dan alle anderen die ik op mijn levensweg heb ontmoet.’ Ook stuurde hij, direct na zijn eerste publicatie, talloze sollicitatiebrieven de deur uit. Eén hagelsteentje uit dit schot – een briefkaartje – belandt bij Heike Kamerlingh Onnes in Leiden. ‘Ik ben zo vrij,’ begint Einstein, ‘om u met deze post een afdruk te zenden van mijn artikel dat in Annalen der Physik is verschenen.’ Er komt geen antwoord.

Lorentz keek aanvankelijk met enige scepsis naar de 26-jarige jongeman in Bern, die in 1905 veel opzien baarde met artikelen die hij in zijn vrije tijd publiceerde over het ‘relativiteitsprincipe’. Allemaal niets nieuws, bromt Lorentz, ‘Einstein heeft eenvoudigweg gepostuleerd wat wij hebben afgeleid van de fundamentele vergelijking van het elektromagnetische veld.’

Ook zijn wilde ‘gedachte-experimenten’ vond hij maar weinig wetenschappelijk, en komt hij met kritiek als: ‘Gaat u hier niet wat te ver, door een persoonlijke opvatting als vanzelfsprekend neer te zetten?’

Toch, de twee raken weldegelijk op één lijn en sleutelen samen aan de voorlopers van de relativiteitstheorie. In 1912 vraagt Lorentz Einstein zelfs als opvolger. Einstein bedankt. ‘Mijn gevoel van intellectuele minderwaardigheid in vergelijking met u kan weliswaar het grote plezier aan onze gesprekken niet bederven (…) maar om op uw leerstoel te zitten, dat zou een onbeschrijfelijke last op mijn schouders zijn.’

Bovendien heeft hij in Utrecht een post afgewezen en direct daarna in Zürich een hoogleraarschap aanvaard.

De keuze van Lorentz opvolger wordt: Paul Ehrenfest. Einstein schrijft hem: ‘U leeft nu in een onvergelijkbare wetenschappelijke omgeving die echter ook vreselijk hoge eisen aan u zal stellen. Toen Lorentz schreef dat hij mij als opvolger wilde hebben, vond ik dat zeer griezelig.’

Vanuit zijn nieuwe positie weet Ehrenfest Einstein echter over te halen alsnog naar Leiden te komen. Geld speelt geen rol (‘ons maximumbod is jouw minimum!’), colleges hoeft hij niet te geven, hij kan reizen zoveel hij wil en: ‘Bedenk dat je hier onder een groep mensen bent, die van jou persoonlijk houden, en niet alleen van het hersenvocht dat er uit je druppelt.’

Ook dat klopt. Ehrenfest en Einstein krijgen een hechte vriendschap. Ze hebben dezelfde geseculariseerd joodse achtergrond, de muziek zit beiden in het bloed, ze spelen Bach, Vivaldi, Corelli en Brahms, met Einstein op viool en Ehrenfest achter de piano, en voeren nachtenlange gesprekken over fundamentele problemen in de fysica. Allemaal op de Witterozenstraat 57, waar Ehrenfest woont. In november 1923 logeert Einstein er zes weken, op de vlucht voor Duitse ultra-nationalisten die hem in Berlijn met de dood hebben bedreigd.

Dan wordt het 1925. Het jubileum van Lorentz gaat gevierd worden en Ehrenfest wil de jonge Deense ‘natuurkunde-god’ Niels Bohr met Einstein in debat laten gaan, aanvoelend dat de twee aan elkaar gewaagd zijn. Hij nodigt ze uit om bij hem te overnachten in de logeerkamers ‘op de bovenste etage naast elkaar.’

Einstein wil wel met Bohr in gesprek, maar ook ’s nachts? Dat gaat hem te ver. ‘Als Bohr komt, dan is het misschien beter dat ik ergens anders overnacht’, schrijft hij terug.

Toch gaat het door, Niels Bohr en Albert Einstein overnachten op de Witterozenstraat. Volgens sommigen is de ontmoeting de belangrijkste geweest van de twintigste eeuwse natuurkunde. Bohr en Einstein slijpen hier de kwantummechanica. ‘Het was als een schaakspel’, doet Ehrenfest verslag. ‘Bohr kwam vanuit zijn filosofische rookwolken telkens naar voren geschoten om korte metten te maken met het ene na het andere voorbeeld. Einstein was als een soort duveltje uit een doosje: iedere morgen schoot hij met nieuwe energie omhoog. Ach, het was kostelijk.’

Kostelijk, maar Ehrenfest betaalt er een prijs voor. Hij voelt zich op het toneel van de fysica in de schaduw staan tussen deze twee reuzen, of, zoals hij in een eigen beeldspraak schrijft aan Bohr: ‘Ik voel mij als een vlierbespitje dat tussen de twee platen van een condensator heen en weer springt, als ik van een van jullie beiden naar de ander ga.’

Ook Einstein krijgt dit soort litanieën te verduren, zodat hij geërgerd terugschrijft: ‘Zit toch niet zo te jammeren en schend je zelfwaardering niet de hele tijd.’ Gedurende de jaren dertig groeit Ehrenfests depressie, nog zwaarder wordend door het groeiend antisemitisme in Duitsland. Aan Einstein schrijft hij dat hij denkt aan zelfmoord. Tenslotte schrijft hij een hartverscheurende zelfmoordbrief. Hij schiet in het Amsterdamse Vondelpark eerst zijn gehandicapte zoon dood en vervolgens zichzelf.

Einstein verbreekt, in hetzelfde jaar, 1933, alle banden met Duitse instellingen en vlucht naar Amerika. In Leiden blijft van Einstein weinig over dan herinneringen. Onlangs vond een student een onbekend manuscript van Einstein, en zijn proefschrift dook op in de UB. Had Kamerlingh Onnes beter naar het briefkaartje gekeken en hem een plaats aangeboden, dan was Einstein misschien nog veel Leidser geweest.


Sybe Izaak Rispens: Einstein in Nederland. Ambo, 243 pgs, € 18,95